Afscheidsinterview Willem Bruggeman

Op 21 april fietst hij voor het laatst van onderzoeksinstituut Deltares naar het station in Delft. Willem Bruggeman gaat van zijn pensioen genieten, na een druk leven als strateeg en innovatie-expert. Hij laat nog één keer zijn licht schijnen op NKWK, het programma waarbij hij vanaf het begin betrokken was, als lid van het Coördinatieteam.

Hoe gaat het met NKWK, vind jij?

“We zijn op de goede weg, er gebeurt veel binnen de onderzoekslijnen. Ik merk wel dat het nog steeds lastig is om de werelden van bedrijfsleven, overheid en onderzoeksinstituten aan elkaar te knopen. Ik herken dat uit de tijd dat ik bij Rijkwaterstaat grote innovatieprogramma’s coördineerde.”

Daar ben je al bijna tien jaar weg, is er dan in die tijd niets veranderd?

“Het heeft met geld te maken – en dat is inderdaad niet veranderd. Het blijft moeilijk om uitvoerende bedrijven en adviesbureaus te betrekken bij onderzoek. Ze moeten perspectief zien in de markt; kansen zien voor nieuwe opdrachten, voordat ze ergens instappen. Dan zijn ze bereid om te investeren, omdat ze op die manier een kennisvoorsprong creëren. Bedrijven moeten er zelf wat aan hebben, ze moeten concurreren. Logisch dat ze niet zomaar geld in een gemeenschappelijke onderzoekspot willen storten. Daarnaast willen ze dat het onderzoek getest wordt in de praktijk, want dan kunnen ze aan buitenlandse partijen laten zien dat het werkt. Daarom zijn living labs, of proeftuinen, zo belangrijk. En voor die toepassing in de praktijk moet je niet alleen bij Rijkswaterstaat zijn, maar vooral ook bij de waterschappen. Als het zou lukken om die nog meer te betrekken bij NKWK, ligt daar een grote kans.”

Is dat dan zo moeilijk?

“Waterschappen zijn sterk operationeel ingesteld en nogal risicomijdend, dat is – gezien hun taken – ook begrijpelijk. Maar gezamenlijk onderzoek doen, en werken aan innovatie, kan een enorme meerwaarde betekenen voor hun werk. Dan moet het wel gaan om toegepast onderzoek, en niet om een rapport dat na een paar maanden over de schutting wordt gegooid. De waterschappen willen zelf kennis opbouwen en daar gebruik van maken, net als bedrijven. Ik denk dat het een goede zaak zou zijn om de waterschappen individueel te benaderen met specifieke vragen en voorstellen. En dan vooral te kijken naar hun strategische problemen, voor de wat langere termijn, want het duurt wel een paar jaar voor je de resultaten van een onderzoeks- en innovatieprogramma kunt toepassen. Onderzoek, beleid en uitvoering hebben een verschillende tijdshorizon; dat zie je overigens net zo goed bij Rijkswaterstaat. De kunst is daarin verbindingen te leggen; oog te hebben voor de toekomst, maar wel graag met toepassing in de praktijk. Een programma als NKWK biedt daarvoor de mogelijkheden.”

Waar liggen op dit moment de grootste uitdagingen voor het Coördinatieteam?

“Het leggen van dwarsverbanden tussen de onderzoekslijnen; dat vind ik erg belangrijk. Daarmee creëer je een enorme meerwaarde. Een van die belangrijke dwarsverbanden is klimaatonderzoek. Ik ben blij dat het KNMI de Taskforce Klimaat heeft opgetuigd; klimaatkennis moet in iedere onderzoekslijn terecht komen. Onderzoek en innovatie doe je niet alleen voor de problemen van vandaag, maar ook voor de uitdagingen van morgen. Een ander dwarsverband is de internationale aanpak. Veel onderwerpen die we binnen NKWK aanpakken, spelen wereldwijd. Denk aan de enorme toename van de bevolking in laaggelegen rivierdelta’s en kustgebieden, vooral in Azië en Afrika. Er lopen Europese programma’s waarbij we kunnen aanhaken, binnen diverse onderzoekslijnen zijn goede internationale contacten. Als je die met elkaar uitwisselt, sta je ook internationaal sterker. Verder, en dat heb ik al eerder benadrukt, is innovatie heel belangrijk. Dat is niet hetzelfde als wetenschappelijk onderzoek, maar het ligt wel in het verlengde ervan. Het feit dat er een gezamenlijke call wordt voorbereid door NKWK en NWO (Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek – red.) op het terrein van ‘living labs’ , is goed nieuws. De uitdaging is dan om het onderzoek te koppelen aan een uitvoeringsprogramma, zoals bij de Marker Wadden.”

Wat ga je missen als je met pensioen bent?

“De frequente contacten met de gedreven, visionaire mensen waarmee we NKWK hebben vormgegeven. Het opzetten van het programma was een moeilijke klus, vanwege de uiteenlopende belangen en verantwoordelijkheden. Ik vond het heel leuk om ervoor te zorgen dat het van de grond kwam. Het delen van een visie, het samenwerken – ook dat zal ik missen. Waar ik blij mee ben, is dat ik niet meer hoef te vergaderen.”

Heb je grote plannen, voor na je pensioen?

“Ik ga eerst op vakantie naar Sardinië, lekker uitrusten en wandelend de kust verkennen – een beetje over de zee uitkijken. Daarna zie ik wel verder. De toekomst is aan de kleinkinderen …”