Oplossingen voor laag Nederland

Sessie 2B: De inrichting en het gebruik van laag Nederland

In laag Nederland spelen belangrijke uitdagingen. Zoals veendaling, CO2-uitstoot uit veen, waterbeheer en bodemdaling. In discussies over oplossingen komen vragen naar voren over maatschappelijke en economische voorwaarden en beschikbare kennis van de effecten op waterkwaliteit en broeikasgasemissies.

Na de inleiding door Luc Kohsiek werden drie inleidende presentaties gehouden over belangrijke onderwerpen in Laag Nederland: Dalende bodems, stijgende kosten; veenweiden en mogelijkheden van innovatie landbouwmethoden; robuuste zoetwatervoorziening voor Laag Nederland schuilt in de ondergrond.
Vervolgens is in groepjes gediscussieerd over deze onderwerpen op basis van vijf stellingen. Iedere stelling werd door twee groepjes besproken.

Stelling: Bij huidig beleid is veen over 100 jaar verdwenen.

De vraag is: draagt landbouw of landschap bij aan de economie van veengebieden?

(Rapporteur Ko van Huissteden)
Allereerst werd nagegaan in hoeverre de stelling waar is. Geconcludeerd werd dat bodemdaling snel gaat en bij een opwarmend klimaat kan versnellen, en dat de CO2-emissie niet verwaarloosbaar is. Technisch kunnen we ermee leven, maar het brengt wel een groeiend veiligheidsprobleem en maatschappelijke kosten met zich mee. De culturele waarde van veenweidegebieden, die ook een economische waarde vertegenwoordigen, wordt belangrijk gevonden. Een maatschappelijke discussie en sociaalwetenschappelijk onderzoek is nodig.

Stelling: Gaan we door met veen oxideren tot op het zand of zetten we het veen onder water?

(Rapporteur Jan van den Akker)
Technische oplossingen zijn er, maar keuzes worden nog steeds voor ons uit geschoven. De toepassing van onderwaterdrains en drukdrains kan 50 tot 100 procent van de maaivelddaling en CO2-uitstoot voorkomen, een oplossing die ook bij de landbouw gunstig ligt. Andere oplossingen zijn omzetting naar natte natuur, natte teelten of afdekken van het veen met minerale grond. Belangrijke vragen zijn de kosten en economische levensvatbaarheid. Andere voorwaarden zijn klimaatmitigatie en klimaatadaptatie, waterkwaliteit en kwantiteit, cultuurhistorisch erfgoed en de weidevogelstand. Behoud van veen kost water, want onderwaterdrainage, natuur en natte teelten hebben meer water nodig. Voor natuur en natte teelten is nog niet goed bekend wat de invloed is op waterkwaliteit, -kwantiteit en op broeikasgasemissies.
De vraag blijft: wie zal dit betalen? Aanpak van bodemdaling en CO2-emissies vereisen keuzes. Beperking van CO2-emissies uit veengronden is een van de goedkoopste manieren om CO2-emissies te beperken.

Stelling: Hoe lang is de delta, in deze vorm, nog rendabel?

(Rapporteur Dimmie Hendriks)
“Minder postzegel, meer samenhang” is nodig om de Delta rendabel te houden. Technisch kunnen we alles, maar blijft het betaalbaar? Welk type ruimtegebruik vermindert bodemdaling, en hoe belangrijk is het behoud van de veehouderij voor de economie van Laag Nederland? Het effect van bodemdaling op veiligheidsrisico’s is belangrijk; dijkverhoging is vooral nodig vanwege bodemdaling. Dit moet ook sterker gekoppeld worden aan zoetwatervoorziening en waterbeschikbaarheid.
De aanpak: “Durf te veranderen”, ofwel: meer bestuurlijk draagvlak en durf vanuit bedrijven en investeerders voor innovatieve, technische oplossingen. En hoe kunnen technische maatregelen goedkoper worden gemaakt? De vorm van de delta zal letterlijk veranderen: stukken land moeten worden opgeofferd – over 20 à 30 jaar moeten we dit concreet vormgeven. Belangrijke innovaties worden gevraagd van de landbouw, maar ook ontwikkeling van bouwtechnische innovaties. Ook hier weer de vraag: wie betaalt?

Stelling: Beter gebruik van de ondergrond kan het waterbeheer vooruithelpen.

Zeeuwse appels werden lekkerder en groter door ondergrondse opslag van zoet water. – Fruitkweker, aangehaald door Toon Boonenkamp

Dit is zoeken naar de juiste balans tussen zoet en zout. Er wordt actief ingegrepen in de ondergrond door het inbrengen van zoet water. Dat is spannend. Tot waar trekken we de grens van de maakbaarheid van de natuur?
Kleinschalige invulling is positief voor de ondergrond/natuur, maar moeilijk beheersbaar. Grootschalig is beter beheersbaar, maar heeft een grotere impact en vereist een ruimtelijke organisatie van de ondergrond. De ondergrond wordt inmiddels gebruikt voor vele duurzame toepassingen, zoals warmte–koudeopslag, geothermie, grondwaterinfiltratie en grondwateronttrekking. Bij infiltratie en onttrekking kan je ook de vraag stellen ‘van wie is het water eigenlijk’. Er dient ook beleid ontwikkeld te worden over onder andere het gebruik van het grondwater/watervoerende pakketten. Daar dient ook kwaliteit in te worden meegenomen, zowel van het onttrokken water als van het te infiltreren water.

Stelling: Hoe houden we stedelijke bebouwing en infrastructuur in stand?

Bodemdaling zorgt voor toenemende kosten. Is het een maatschappelijk, collectief probleem of is het een probleem voor de eigenaar van de bebouwing en infrastructuur? Het wordt door sommigen gezien als een gedeeld probleem van overheid en particulieren waarbij solidariteit van betekenis is. Om problemen met bodemdaling te voorkomen en om extra kosten te vermijden zouden er ook andere keuzes gemaakt kunnen worden over waar je bouwt. Bodemdaling is bestuurlijk een complex vraagstuk. Sommigen zien bodemdaling als iets dat vooral technisch op te lossen is. Samenvattend: technische oplossingen zolang het bestuurlijk niet lukt, maar met de observatie dat de bestuurlijke verantwoordelijkheid rond de aanpak van bodemdaling blijft bestaan. Wat betreft de kennisvraag is het van belang dat lokaal de juiste afwegingen kunnen worden gemaakt en dat vraagt meer inzicht en delen van opgedane kennis en ervaring.

De belangrijke vragen die bij iedere discussie terugkwamen zijn: wat zijn de maatschappelijke en economische voorwaarden voor oplossingen? En wat weten we werkelijk van de effecten op waterkwaliteit en broeikasgasemissies van ingrepen?

 

Organisatie en sprekers

Ko van Huissteden (VU)
Dimmie Hendriks (Deltares)
Sessievoorzitter: Luc Kohsiek (Dijkgraaf HHNK)

Sprekers:
Gert Jan van den Born – PBL
Jan van den Akker – Wageningen University
Toon Boonekamp – Arcadis

Tekst verslag: Ko van Huissteden en Dimmie Hendriks