‘Ik ben de nieuwsgierige vragensteller en verbinder’

Interview met Katja Portegies, directeur Veiligheid en Water bij RWS en trekker van NKWK

‘Mijn voorganger Roeland Allewijn heeft met NKWK een prachtig huis neergezet. Ik wil graag de deuren openzetten voor nog betere verbindingen met andere overheden, en aansluiting vinden bij het missiegedreven Topsectorenbeleid.’

Foto: Michel Porro voor Arcadis/ Katja Portegies

Wat is de rode draad in je loopbaan?
‘Dat is toch wel: water en mensen. Toen de baan directeur Veiligheid en Water bij Rijkswaterstaat WVL langskwam, dacht ik onmiddellijk: dit past heel goed bij mijn ervaring en ambitie.’

Aldus kwam Katja Portegies in maart van dit jaar terug bij RWS, waar ze in 1991 was begonnen. ‘Ik had scheikunde gestudeerd in combinatie met milieukunde en milieurecht. Werken in een laboratorium was niet echt iets voor mij. Ik was, en ben, nog steeds geïnspireerd door duurzaamheid en kon al snel aan de slag bij Rijkswaterstaat. Die eerste baan als medewerker lozingsvergunningen voor chemische bedrijven in Zuid-Holland voldeed in dat opzicht.’

Hoe ging het verder?
‘Inhoudelijk stonden die eerste tien jaar vooral milieu en waterkwaliteit centraal. Ik zat al snel bij de beleidsclub van het toenmalige Verkeer en Waterstaat. Later verschoof het accent meer naar integraal waterbeheer. Het is geweldig om, na een verfrissende tijd bij advies- en ingenieursbureau Arcadis, nu weer terug te zijn bij RWS.

‘Wat het ‘mensen’-aspect betreft: ik wil steeds de verbinding tot stand brengen met burgers, andere overheden en natuurlijk de markt. Het is belangrijk dat wij als RWS niet alleen maar denken: dat lossen wij wel op. We moeten de dialoog aangaan. In de waterwereld zijn we daar al een heel eind mee, vind ik. Schoon en voldoende water worden niet meer als vanzelfsprekend beschouwd, voor lief genomen. We gaan er steeds bewuster mee om. Water is het goud van de toekomst, wordt wel eens gezegd. Dat zou iedereen moeten beamen.’

Na RWS kwam je in 2011 terecht in de staf van de Deltacommissaris. Wat deed je daar?
Ik werkte als coördinerend adviseur voor de totstandkoming van de Deltabeslissingen. Je bent bezig met de grote kaders voor de toekomst. Daar heb ik veel geleerd over waterveiligheid, het denken in systemen en scenario’s. Het is inspirerend werk. Je werkt met de gedachte: hoe is het straks voor mijn kinderen? Hoe laten we het achter?’

Speelt die inspiratie nog steeds een rol?
‘Absoluut. In mijn nieuwe functie en natuurlijk ook als trekker van NKWK. En als ik eens een moment verslap, dan is er thuis mijn jongste, met wie ik gesprekken voer over klimaatverandering en wat we moeten doen. Ja, een klimaatspijbelaar. Het is zo’n jongen die je in maart weet te vertellen dat onze footprint voor het hele jaar al op is.’

Hoe zie jij NKWK?
‘Roeland Allewijn heeft in 5 jaar van NKWK een prachtig netwerk met onderzoekslijnen opgebouwd. Ik wil onderzoeken wat de behoeftes zijn en waar we willen doorontwikkelen. NKWK mag wat mij betreft meer uitgroeien tot een vehikel voor dwarsverbanden en samenwerking – met bijvoorbeeld regionale overheden en waterschappen. En ja, ook met marktpartijen. Al moet je je over samenwerking met het bedrijfsleven niet al te grote illusies maken. NKWK is vooralsnog een overheidsgedreven programma waar niet direct veel geld in zit. Voor bedrijven is de terugverdientijd heel belangrijk. Als die te lang duurt, dan stappen ze niet in. Dus de onderzoekslijnen verbinden aan programma’s, en daarmee aantrekkelijker worden voor samenwerking met de markt, dat is belangrijk.’

Je zei op de NKWK-conferentie in mei dat je ‘de verbinding met grote programma’s en transities’ wilt leggen.
‘Als je kijkt naar de Missies voor het Topsectoren- en Innovatiebeleid, zoals de regering die in april dit jaar verwoordde, dan zie ik veel terreinen waar we als NKWK op aan kunnen sluiten.  Denk aan de energietransitie en de overgang naar kringlooplandbouw. Daar liggen mogelijkheden.

Ik zie het NKWK graag als een living lab. Als een adaptief gebouw waarbij je regelmatig kijkt of wat je doet, nog steeds nodig is. Ik wil ervoor waken dat we onderzoekslijnen optuigen als instituties – ze zijn niet voor de eeuwigheid bedoeld. Onderzoekslijnen moeten zich door-ontwikkelen richting de praktijk, moeten concreet worden. Dan wordt het ook mogelijk om aansluiting te vinden bij zoiets als het Topsectorenbeleid. Wij willen daar graag het wiel voor zijn.’