De koele groene stad

Groen werkt verkoelend – dat weten veel mensen instinctmatig. Maar hoe kun je een stad groen inrichten op een manier die het meest effectief beschermt tegen hitte? Veel partijen in Nederland doen daar onderzoek naar. Dat heeft geleid tot allerlei praktische richtlijnen.

Bomen zorgen voor schaduw. Dat is het meest zichtbare effect van groen als verkoelende factor in de stad. Maar er zijn ook minder zichtbare effecten. De verdamping van water uit bladeren en gras koelt de lucht ook sterk af. Al met al is de luchttemperatuur in een park gemiddeld 2 tot 3 graden lager dan daarbuiten. Het verschil kan oplopen tot zo’n 7 graden, aldus het rapport ‘De klimaatbestendige wijk’ van de Hogeschool van Amsterdam (HvA).
Als de bedekking aan bomen met 10 procent toeneemt, dan kan de gemiddelde luchttemperatuur tijdens een warme dag met een hele graad dalen. “Dat klinkt misschien niet veel, maar maakt toch een groot verschil”, vertelt Laura Kleerekoper van de HvA, die meeschreef aan het rapport. “Zeker in combinatie met de veel lagere gevoelstemperatuur in de schaduw.” Schaduw verlaagt de gevoelstemperatuur met maar liefst 12 tot 22 graden.
De koelere lucht uit een park verspreidt zich naar omliggende straten en pleinen. In de eerste honderd meter buiten de parkrand is het verkoelende effect het grootst. Daarom zijn meerdere kleine parken effectiever dan één groot park, aldus de HvA-onderzoekers. Dat sluit aan bij de norm van Wereldgezondheidsorganisatie WHO, die stelt dat iedere stedeling op maximaal 300 meter van minstens 0,5 ha groen zou moeten wonen.

Groene daken en gevels

Bomen zijn niet de enige effectieve vorm van vergroening. Groene daken kunnen ook een verschil maken. Een groen dakoppervlak kan in de zomer wel 40 graden koeler zijn dan een conventioneel dak, dat in de zon flink kan opwarmen. In steden waarin 6 procent van de gebouwen een groen dak heeft, kan de temperatuur ’s zomers anderhalve graad lager zijn dan in vergelijkbare ‘grijze’ steden, aldus de HvA-onderzoekers. Daarnaast blokkeren groene daken – als ze van hoge kwaliteit en voldoende vochtig zijn – 70 tot 90 procent van de warmtedoorslag door het dak heen. Daardoor is er binnenshuis minder klimaatbeheersing nodig.
Een andere oplossing zijn groene gevels. Dat zijn bijvoorbeeld gevels die zijn begroeid met klimplanten, of waar voorzetconstructies voor zijn gemaakt met plantenbakken. Die verkoelen de stad op leefniveau beter dan groene daken. Daarnaast zijn er goede resultaten behaald met pergola’s boven pleinen en parkeerplaatsen. En ook groene tuinen van particulieren maken een verschil – in temperatuur, maar ook in temperatuurbeleving.

Richtlijnen voor vergroening

Er bestaat veel kennis over het inzetten van groen voor klimaatadaptatie in de stad. Maar voor gemeenten is het een hele klus om die kennis om te zetten in de praktijk – bij nieuwbouw, maar vooral ook in de bestaande bebouwde omgeving. Waar kun je nu het beste bomen planten, hoeveel en welke bomen? Waar kies je voor gras, waar passen groene daken en hoe houd je rekening met de bodem, parkeerplaatsen en straatverlichting? Wat is het meest kosteneffectief?
Verschillende onderzoeksgroepen in Nederland ontwikkelden ontwerprichtlijnen voor groene, hittebestendige inrichting van steden. Die bestrijken het niveau van de stad als geheel tot aan de schaal van parken en pleinen en het microklimaat in straten en tuinen. Een voorbeeld zijn de ontwerprichtlijnen van Wageningen University & Research (WUR) en het HvA-project ‘De klimaatbestendige wijk’. In deze laatste staat ook een kostenberekening voor verschillende groenkeuzes.
Daarnaast bestaan er praktische cursussen voor professionals, zoals CLIM-CAP, een cursus die in EU-verband is ontwikkeld door Wageningen Academy.
Groen in de stad

Welke boomsoort waar?

Het ene groen is het andere niet. Sommige boomsoorten koelen effectiever dan andere. Er zijn ook keuzes ten aanzien van groen die negatief kunnen uitpakken voor een stad. Eucalyptusbomen zijn bijvoorbeeld mooi, maar ze putten de water- en voedingsreserves van de bodem snel uit. Berk, hazelaar en els produceren stuifmeel waar veel mensen allergisch voor zijn. En uit bepaalde linderassen druppelt suikerwater, dat bladluizen aantrekt en auto’s plakkerig maakt. “Los daarvan zijn er geen universele richtlijnen te geven voor welke soorten je het beste kunt kiezen”, zegt Sanda Lenzholzer van Wageningen University. “Dat hangt geheel af van de lokale situatie.”
Belangrijke boomkenmerken zijn bijvoorbeeld de vorm van de kroon en de dichtheid van het bladerdek. Die verschillen van soort tot soort. Een kastanje werpt een grote donkere schaduw, terwijl een robinia veel zonlicht doorlaat. “In een park kun je het beste bomen met een verschillend type bladerdek kiezen”, zegt Lenzholzer, “zodat je een geleidelijke overgang krijgt van zon via halfschaduw naar schaduw. Dan kunnen mensen kiezen waar ze gaan zitten. En hoewel hoge bomen het beste thermische effect hebben, ervaren mensen lagere bomen en groene voortuinen toch als meer verkoelend.”
Daarnaast is de plaatsing van de bomen heel belangrijk. Ze mogen de ventilatie in de stad niet belemmeren en geen warmte vasthouden. Lenzholzer: “Een boom moet altijd op een goed doordachte manier worden geplant.”

Het boek ‘Het weer in de stad’ van Sanda Lenzholzer en het HvA-rapport ‘De klimaatbestendige wijk’ bevatten gedetailleerde tabellen met de eigenschappen van allerlei boom- en andere groensoorten.

Lees verder over hitte, droogte of wateroverlast in de stad.