Op zoek naar de meerwaarde

De onderzoekslijn Waterkeringen heeft een spannende tijd achter de rug. In maart was het nog onduidelijk of er voldoende draagvlak was voor het opzetten van onderzoeken. Sinds een goed bezochte bijeenkomst bij Deltares in Delft staat het licht voorzichtig op groen. Diverse partijen willen meewerken aan een tiental onderzoeksvoorstellen. Nu nog financiering vinden.

“Er is draagvlak voor het uitvoeren van onderzoeken”  – Henk van Hemert, trekker onderzoekslijn

Waterkeringen zijn er in alle soorten en maten: dijken, dammen, stuwen, gemalen en stormvloedkeringen. Er zijn ook natuurlijke keringen, zoals de duinen. Nederland heeft ruim 3700 kilometer aan primaire waterkeringen en zo’n 10.000 km aan regionale waterkeringen. En dat is maar goed ook; zonder die barrières zouden grote delen van ons land onder water staan. De aangelegde primaire keringen – bijna 1500 in totaal – moeten onderhouden worden en voldoen aan normen. Een groot deel van het onderhoud is in handen van de waterschappen, voor de rest is Rijkswaterstaat verantwoordelijk.

Witte vlekken invullen

Een stijgende zeespiegel en een toename van extreem weer hebben consequenties voor de aangelegde waterkeringen. Maar welke precies? Daarvoor is fundamenteel en praktijkgericht onderzoek nodig en dat past uitstekend bij de uitgangspunten van het NKWK. In 2015 en 2016 ging trekker van de onderzoekslijn Henk van Hemert op zoek naar de kennisvragen bij een groot aantal betrokken partijen. “Dat deden we tijdens twee workshops”, zegt hij. “Die leverden maar liefst 170 vragen op, rijp en groen door elkaar. Ondanks het feit dat er al diverse onderzoeken worden gedaan op het gebied van waterkeringen, blijken er toch ook witte vlekken te zijn. Die willen wij graag invullen.”

Wie wil meebetalen?

De berg kennisvragen werd teruggebracht tot zes thema’s en die kwamen ter sprake tijdens de bijeenkomst bij Deltares, in maart van dit jaar. Henk was tevreden met de opkomst. Het aantal aanwezigen namens de waterschappen – 15 van de 90 – beschouwt hij als een goede start. “Ik hoop dat we de komende tijd nog meer steun krijgen uit die hoek.” Tijdens de bijeenkomst zijn belangrijke stappen gezet, meent hij. “De thema’s zijn uitgediept en er is draagvlak voor het uitvoeren van onderzoeken. Toch vind ik het in veel gevallen nog te vrijblijvend. De vraag is: wie wil meebetalen? Het is een hele zoektocht naar de financiën.”

Bijna rond

Eén van de onderzoeksvoorstellen is inmiddels bijna rond. Onder de naam ‘Continu inzicht’ wordt gewerkt aan een toegankelijke database die beheerders van waterkeringen voorziet van actuele gegevens over kwetsbaarheden en waterstanden. “Het gaat om de dagelijkse toepassing van kennis en informatie”, licht Henk toe, “zodat beheerders bij een hoge waterstand precies weten welke maatregelen ze moeten nemen.” Twee grote waterschappen hebben hun financiële steun toegezegd; bij Stowa is het voorstel goed ontvangen en ook Rijkswaterstaat heeft de intentie om mee te betalen. Henk verwacht dat het onderzoek nog deze zomer van start gaat.

Extreem windklimaat

Wat in ieder geval gaat beginnen, is een KNMI-onderzoek naar extreem windklimaat. Het gaat hier om fundamenteel onderzoek, gefinancierd door het KNMI, het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM), Rijkswaterstaat en de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO). Wellicht volgen nog meer kennisinstituten en adviesbureaus. Uiteindelijk moet dit onderzoek leiden tot modellen die inzichtelijk maken hoe het water zich beweegt onder invloed van veel wind (verhoging van de waterstand en golven). Volgens Robert Slomp van Rijkswaterstaat is het NKWK bij uitstek het platform voor het leggen van de dwarsverbanden die nodig zijn bij dit type fundamenteel onderzoek. “Er is hier een brede blik nodig van meerdere partijen.”

Nieuwe veiligheidsnormen

Sinds 1 januari zijn nieuwe veiligheidsnormen voor primaire waterkeringen vastgelegd in de Waterwet; centraal hierin staan de kans op een overstroming en de gevolgen ervan voor de economie en de bevolking. In 2050 moeten alle primaire waterkeringen aan deze normen voldoen. Dit zijn de keringen die veiligheid bieden tegen overstromingen door de Noordzee, de Waddenzee, de grote rivieren Rijn en Maas, de Westerschelde, de Oosterschelde en het IJsselmeer. Onderzoek moet duidelijk maken wat de consequenties zijn van de nieuwe normen. Leiden die wellicht tot andere keuzes? Ook hier ligt een taak voor de NKWK-onderzoekslijn, meent Henk. “Dat bleek wel tijdens de sessie ‘Als de dijken breken’ van de NKWK-conferentie op 11 april. Er ontstond een levendige discussie en er werden nieuwe contacten gelegd.” Zo kwam een plan tot stand voor een pilotstudie naar een integrale risicobenadering bij de doorbraak van een regionale waterkering.

Samenhang onduidelijk

Onderzoeksvragen zijn er dus genoeg; waarom is het dan toch moeilijk om financiering te
vinden? “Er wordt al veel betaald onderzoek gedaan”, zegt Henk. “Je moet bijna concurreren.” Dat beeld wordt bevestigd door Martin Nieuwjaar, adviseur waterkeringen bij Waternet, de gezamenlijke uitvoeringsorganisatie van het waterschap Amstel, Gooi en Vecht en de gemeente Amsterdam. Hij kent de onderzoekslijn, maar is er zelf slechts op afstand bij betrokken. Het is hem nog niet helemaal duidelijk wat de meerwaarde is van het NKWK. “Ik zie al veel onderzoeksprogramma’s en –agenda’s voorbij komen op het gebied van waterkeringen.” Nieuwjaar noemt onder meer de kennisagenda van het directoraat-generaal Ruimte en Water (DGRW) van het ministerie van IenM. “Ook het Expertise Netwerk Waterveiligheid doet onderzoek naar waterkeringen en niet te vergeten ons eigen kenniscentrum STOWA. Wat mij betreft moet duidelijker worden wat de samenhang is tussen al deze onderzoeken.”

Aansluiten bij de vragen

Omdat het NKWK nog relatief kort actief is, is het volgens Martin des te belangrijker dat de meerwaarde goed in beeld komt: “Wat maakt dat via de onderzoekslijn van het NKWK kennisleemten kunnen worden opgelost die via de bestaande programma’s onvoldoende aan bod komen?” Juist omdat het NKWK geen zelfstandige financiering kent, is die duidelijkheid nodig. En, zegt hij: “Als de onderzoekslijn aansluit op de vragen die er leven bij de waterschappen, is de kans het grootst dat ze meedoen.”